Waarom de KVAB en de Jonge Academie prijzen uitreiken voor wetenschapscommunicatie

In een eerdere blogpost bepleit Hans Op de Beeck het standpunt dat je wetenschapscommunicatie door onderzoekers niet hoeft te belonen. De resulterende aandacht is namelijk al een beloning op zichzelf, zeker wanneer je die contrasteert met de soms gebrekkige aandacht die het wetenschappelijke onderzoek zelf nog oplevert. Tegelijk pleiten anderen ervoor om wetenschapscommunicatie formeel te gaan tellen, omdat ze hun inspanningen op dit vlak onvoldoende gewaardeerd vinden binnen hun eigen universiteit en het gevoel hebben daar nadeel van te ondervinden bij evaluaties.

Dit debat lijkt een klassiek voorbeeld te zijn van het belang van intrinsieke motivatie, en kan ook gevoerd worden over de twee andere peilers van de academische opdracht, onderzoek en onderwijs:

  • Ook voor onderwijs zijn er vele mogelijkheden voor intrinsieke motivatie. Een docent kan bijvoorbeeld een extreme kick krijgen door inzichten te zien ontstaan bij zijn studenten, of doordat studenten gemotiveerd worden om zich te specialiseren in zijn discipline. (Ook demotivatie doordat die zaken niet lukken behoort natuurlijk tot de mogelijkheden.)
  • Hoewel niemand dit zal doen, is het zelfs niet moeilijk om te beweren dat onderzoek en publiceren niet hoeven beloond te worden. Het plezier van de ontdekking, een idee dat blijkt te werken, het respect van de collega’s, het applaus na een voordracht,… Allemaal geldige redenen om aan onderzoek te willen doen.

We weten allemaal dat dit niet het volledige verhaal is. Maar waar zit precies het probleem? Onderzoek is het meest competitieve element in de academische job. Het is de enige deeltaak waarvoor we via competitie onze middelen moeten verwerven, vaak dan nog van buiten de universiteit. Omdat de middelen die de universiteit zelf krijgt evenredig zijn met de onderzoeksoutput, wordt binnen de universiteit bovendien een grote nadruk gelegd op onderzoeksoutput voor de persoonlijke carriere (benoemingen, bevorderingen). Onderzoek is dus een deeltaak waarvoor de extrinsieke motivatie (de druk van buitenaf) hoger is dan voor de andere twee deeltaken. Voor velen lijkt het zelfs alsof het onderzoek het enige is wat echt telt, en dat de rest ‘ballast’ is. Die gedachte wordt bovendien zeer hardnekkig wanneer de indruk ontstaat dat een evaluatie (van een project of van een benoemingsaanvraag) louter bestaat uit tellen van publicaties.

Dat laatste kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Om dat te vermijden, zijn twee zaken van belang:

  • een objectieve beoordeling van onderzoeksdossiers op basis van meer dan enkel een spreadsheet;
  • het beoordelen van een academicus op zijn volledige taak, niet enkel zijn onderzoekstaak.

Op basis hiervan moeten we wetenschapscommunicatie mee bekijken wanneer we een oordeel vellen over de waarde van het werk van een academicus. Alleen is het beginnen tellen van activiteiten een nogal vreemde manier om dat te doen: dat is namelijk waar we voor onderzoek net van af willen!

Als tussenweg reiken de KVAB en de Jonge Academie jaarlijks onderscheidingen wetenschapscommunicatie uit. Elk jaar is er een loopbaanprijs, en een aantal jaarprijzen. We kiezen er expliciet voor om een groot aantal jaarprijzen toe te kennen, die dan fungeren als een soort kwaliteitslabel van de gevoerde communicatie. Dat kan misschien het tikkeltje extrinsieke motivatie leveren dat sommigen nodig hebben. Uit het grote aantal kandidaturen blijkt dat er toch heel wat onderzoekers zijn, ook doctorandi en postdocs, die zich hard inzetten op het vlak van wetenschapscommunicatie, en dit ondanks de rat race waar ze zich in bevinden. Als we deze mensen een duwtje in de rug kunnen geven, dan kunnen we daar alleen maar beter van worden.

Giovanni Samaey, co-voorzitter namens Jonge Academie (JA) van de stuurgroep wetenschapscommunicatie van de KVAB/JA.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *