Moeder, waarom studeren wij?

Het is een jaarlijks terugkerend fenomeen – de SID-in. Scholieren krijgen de kans om in één bezoek van het hele hoger onderwijs dat Vlaanderen rijk is te proeven. Hele drommen studenten struinen langs de standen van hogescholen en universiteiten, giechelen als ze een “vreemde” of “moeilijke” opleiding zien, verwijzen naar vrienden of familie die deze of gene studie hebben gedaan, of kijken verwonderd en overdonderd naar dat enorme aanbod. Sommigen vragen schuchter wat het allemaal inhoudt, anderen weten precies wat ze willen en stellen heel gerichte vragen.

Ik hou wel van die SID-inbeurzen: er hangt een sfeer die me doet terugdenken aan het moment dat ik zelf een richting moest kiezen. Niet dat ik grote twijfels had, ik dacht sowieso aan klassieke talen of Slavistiek, maar het is toch echt wel een stap in het grote onbekende en een stap die onvermijdelijk ook grote gevolgen heeft voor je toekomst. Bovendien krijg je heel wat gevraagd en (nog meer?) ongevraagd advies over je studiekeuze: van klasgenoten en vrienden, leerkrachten, scholen en natuurlijk ook je ouders en je omgeving. Je zou van minder beginnen te twijfelen.

De SID-inbeurzen zijn niet gewoon fijn omdat ze me doen terugdenken aan mijn eigen scholieren- en studententijd. Het is in de eerste plaats een plezier om jonge mensen te kunnen informeren over wat de studie en studeren in het algemeen inhoudt. Je krijgt de meest uiteenlopende vragen, maar één vraag – de moeilijkste om te beantwoorden – komt steeds terug, en bijzonder vaak als openingsvraag. Ik moet bekennen dat ik het een erg vervelende vraag vind, en niet zozeer omdat het een moeilijke vraag is.

“Wat kan ik daar later mee doen?” Het is een vraag, zo vertellen oudere collega’s me, die vroeger veel minder gesteld werd. Of dat zo is, weet ik niet, maar ik kan me in elk geval niet herinneren dat ik wakker lag van wat ik zou doen ná mijn studies. Ik wilde vooral weg uit het keurslijf van de middelbare school en ik wilde iets studeren dat me echt interesseerde. De rest zou ik later dan wel zien.

Nu ja, de tijden veranderen natuurlijk, en het is niet geheel onlogisch dat deze vraag zo vaak gesteld word. In tijden van economische crisis kiezen velen liever waar voor hun geld. Mijn medestandhouders en ik zijn dan ook goed voorbereid. We geven een uitgeprint overzicht van alle mogelijke vervolgopleidingen die onze alumni volgden en alle jobs die ze vonden. Daar voegen we nog heel wat informatie – een mix van feiten en persoonlijke indrukken – aan toe. Toch storen we – het lange staan en praten heeft er zeker ook mee te maken – naarmate de dag vordert ons steeds meer aan die vraag. Niet omdat we de hele tijd dezelfde mantra afsteken, zelfs niet omdat we eigenlijk liever over het programma zelf praten, maar vooral omdat we zelf die “nutsvraag” bijkomstig vinden. Studenten worden er voortdurend op gewezen – in de media, door hun ouders, door de leerkrachten, door de omgeving, … – dat ze iets nuttigs moeten doen, dat ze een studierichting moeten kiezen die ze na de studies met de grootste zekerheid en vooral ook snel kunnen verzilveren in de vorm van een job. Doe geen psychologie, “want daar plaveien ze de straten mee” (iets wat van vroegere Germanisten ook werd gezegd). Doe geen Chinees, “want de economie gaat daar achteruit”. Doe geen geografie, “want daarmee kan je alleen les geven”. Allemaal clichés natuurlijk (maar allemaal de laatste jaren overheard op verscheidene SID-ins), maar toch…

Het gaat er natuurlijk niet om dat die job onbelangrijk is, of dat studenten niet al mogen weten wat ze later willen doen, of dat je geen rekening hoeft te houden met de toekomst. Wel gaat het er om dat er soms bijna geen aandacht lijkt te zijn voor wat de studenten op dit eigenste moment interesseert, voor waar ze vier à vijf jaar in willen opgaan, voor datgene wat hen zal vormen als mens – een mens die veel meer is dan iemand die enkel en alleen werkt. Dus alsjeblieft, beste scholieren, spaar de mensen op de SID-in een beetje en kies een andere openingsvraag dan “wat kan ik daar later mee doen”. Vraag eens iets als (opgepikt op de SID-in in Kortrijk) “hoe kan ik met deze opleiding mezelf en mijn interesses verder ontwikkelen”. Of (opgepikt op de SID-in in Gent) “kan ik met deze opleiding voor een lange tijd naar het buitenland om daar te gaan studeren”. Is dat niet precies waar (hoger) onderwijs echt om draait?

3 reacties

  1. Opvallend: vaak ouders stellen de vraag welk nut mijn discpline (geschiedenis) kan hebben, want vandaag heeft iets maar een nut als het snel in euro’s te becijferen is. Zoon- of dochterlief komen vaak uit pure interesse aan onze stand, maar in zo’n geval hoopt de ongeruste ouder het vuur te smeulen met de vraag: ‘hoeveel verdient ge daar later mee?’. ‘Historici zijn de rijkste mensen ter wereld’, antwoord ik dan, ‘want wie zijn verleden niet kent, is toch arm van geest?’. Het is vaak het antwoord dat zoon of dochter hoopt te horen… Soms is het makkelijker zieltjes te winnen door juist heel kritisch op dergelijke vragen te antwoorden eerder dan mee te gaan in de waan van de geldobsessie!

  2. Ah, één van m’n favoriete onderwerpen! Ik vind de ‘nutsvraag’ eigenlijk niet zo relevant en vaak overschat. Ik zie twee redenen waarom. Of nee, drie.
    1/Tegen de tijd dat je je diploma hebt is de economische/maatschappelijke/vulinwatpast context veranderd. Het kan dus best zijn dat ‘ze’ nu leraars LO ‘tekort’ hebben, maar tegen de tijd dat je als pas geassembleerde ‘Master LO’ in nagelnieuw trainingspak van de band rolt is dit misschien niet meer zo. En wat dan? Staan bestoffen in een magazijn?
    2/Neen dus. Met uitzondering van technologische beroepen kan je met eender welke BSc of MSc, én een persoonlijkheid, behoorlijk uit de voeten.
    3/Dit is de belangrijkste reden denk ik: Je kan pas excelleren in iets als je het ook erg graag doet. Het heeft dus geen zin om wat te studeren om de gaten in de arbeidsmarkt op te vullen. Anderen, die toevallig wél de passie hebben om te doen waartoe jij je verplicht voelt, zullen altijd beter zijn.

  3. De nutsvraag wordt door scholieren vaak gesteld omdat ze veelal gewoon geen andere vraag kunnen bedenken. Ze staan aan een standje van een instelling die uit een wereld komt die ze amper kennen, en worden dan verwacht een intelligente vraag te stellen. Eigenlijk is die vraag gewoon een proxy voor “vertel me eens wat over deze of gene studie”.

    En de nutsvraag is eigenlijk altijd een mooie kapstok als informator om over te brengen dat je eerst en vooral zelf geïnteresseerd moet zijn in hetgeen je wil studeren. Het is een mooie voorzet die je niet mag missen.

    Uiteraard leveren vragen van scholieren op dergelijke infobeurzen altijd wel hilarische anecdotes op, maar veel diepgaande analyses zou ik er toch niet achter zoeken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *